De koffie staat op tafel in Twijzelerheide. Nog geen etmaal geleden stonden ze samen op het podium, driestemmig. Nu zitten ze naast elkaar aan de keukentafel: Trienes, Tjeerd en Klaas Henstra. Vader, oom en zoon. De één iets rustiger, de ander altijd met een grap paraat. En de jongste? Die kijkt, luistert en mengt zich wanneer het moet.
Tjeerd keert zoals iedere week weer even terug van Texel, waar hij een café runt. “Ik bin in echte Westereender,” zegt hij. “Ik einigje hjir. Hoe lang it duorret, wit ik net.” Hij lacht erbij, maar het klinkt ook als een zekerheid.
De stim fan De Wâlden
De naam Henstra heeft gewicht in de Friese Wouden. Hun vader en pake, Rommy Henstra, groeide uit tot wat velen nog altijd noemen: De Stim fan de Wâlden. Een zanger van het Nederlandse levenslied, bekend in de regio en daarbuiten. Iemand die zijn publiek wist te raken, lang voordat iedereen met een microfoon en een orkestband het podium op kon stappen. Maar aan tafel gaat het niet over roem. Niet in eerste instantie.
“Hoe wie heit thús?” herhaalt Tjeerd. Even blijft het stil. Dan volgt een antwoord dat net zo nuchter is als eerlijk. “Net thús.” Rommy was veel weg. Werken, onderweg. Het waren andere tijden, zeggen ze. “De memmen bleaunen thús, de heiten wiene fuort.” Als hij er wél was, sleutelde hij. “Hy wie autohandelaar. En in flierefluiter.”
Rommy begon pas later serieus met zingen, midden jaren tachtig, in een periode waarin hij al gescheiden was. In café It Wite Hûs in Twijzelerheide zong hij mee met muziek van onder andere Freddy Fender. Tot iemand zei: we moeten hier iets mee.
Er kwam een opname, een eerste single, en daarna ging het snel. Optredens volgden, zelfs samen met zijn grote voorbeeld op één podium. “Se ha regele dat Rommy en Freddy op itselde poadium stiene,” vertelt Tjeerd. “Doe wie der gjin ‘nee’ mear te krijen.” In die tijd waren er nog niet zoveel artiesten, herinnert Trienes zich.
Zelf belandden Trienes en Tjeerd ook in de muziek. Niet vanuit ambitie om door te breken, maar omdat het zo liep. Tjeerd via playbackshows, Trienes al jong live op het podium. “Ik seach lêst noch in stikje: 8-jierrige Trienes Henstra jout live-optreden,” zegt hij lachend. “Wy fûnen it leuk om te sjongen, wy woene yn prinsipe wol sinten tajaan”, zegt Tjeerd. De broers traden ook als duo op, of samen met hun heit. “Even in gesellich jûntsje fuort.”
Toen het serieuzer werd, veranderde dat gevoel. “Doe’t it wurk waard, fûn ik it net sa moai mear”, zegt Tjeerd. Ook Trienes herkent die sleur. Net op het moment dat Trienes wat wilde minderen met optreden, kwam Klaas aanzetten.
Yn it DNA
“Doe begûn hy,” zegt Trienes, terwijl hij naar Klaas knikt. Klaas is vijftien, en zingt. “Ja, ik bin in Henstra, hi. It siet der wol wat yn,” zegt hij, schouderophalend. Alsof het niets bijzonders is. Maar dat was het wel. Want het had weinig gescheeld of hij was nooit begonnen. “Ik doarde earst net,” vertelt hij. Zijn vader probeerde hem vaker over te halen. Zonder succes. Tot er een moment kwam waarop er geen druk was, tijdens een avond met vrienden. “Dat sloech fuort oan, dus dat gie sa moai as wat.”
Wat volgde, ging snel. Optredens, filmpjes, duizenden views. Een optreden bij een geheime zender, een feestje hier en daar. Mensen filmden, deelden, reageerden. En ineens was daar een naam die weer rondging. Niet alleen van vroeger. “Hy sjongt fantastysk,” zegt Tjeerd. “Better as wy doe diene. Hiel suver. Ik geniet derfan.”
Ook voor zijn moeder, Tjitske Henstra, is het bijzonder. “Kinst it dy eins net foarstelle dat ús soan syn heit, omke en pake achternij giet. It is hiel ûnwerklik.” Ze herinnert zich een optreden in Ferwert waar het publiek hartstochtelijk meezong. “Ik hie it pykefel oeral. It sit echt yn de genen.” Hoewel Klaas zijn pake – die in 2007 overleed – nooit kende, voelt hij een sterke band. “Ik hear de ferhalen en sjoch filmkes. At ik earne bin, fertelle minsken altyd nije dingen oer him.”
Jonngensdream
Dat gevoel zit ook in zijn eerste single Jongensdroom, die eind 2025 verscheen. Geschreven door Marcel Smit, maar duidelijk passend bij Klaas zelf. “Dat doch ik ek echt graach,” zegt hij over het zingen van zijn pake’s liedjes. “Dat sit yn de famylje, dat moat der ek wat ynbliuwe.” De videoclip verwijst bewust naar vroeger: het Cambuur-stadion, Amerikaanse auto’s, beelden die voor veel mensen herkenbaar zijn. “Minsken dy’t him koene sizze: ferdoary, dat is de twadde Rommy.”
“Ik wol gewoan itselde paad op. Geselliche feestsjes fyn ik moai”, vertelt Klaas. Tegelijk zoekt hij zijn eigen geluid. Met invloeden die verder gaan dan de familie. Tom Jones bijvoorbeeld. “Ik bin in bytsje in âlde siel. Ik tink dat dy muzyk folle echter is.” Zijn vader knikt. “Ik fyn dat sels ek folle moaier.”
Samen optreden met zijn vader en oom is voor Klaas het mooiste wat er is. “At ik allinnich fuort bin, ha ik dat gefoel net. Mei syn treien is it oars.” Trienes en Tjeerd zijn het daar roerend mee eens. Driestemmig samen zingen vinden ze alle drie geweldig.
De Friese versie van Jongensdroom, die sinds 6 april uit is, kwam er niet zomaar. Tjeerd hoorde de tekst pas voor het eerst. “Ik hie him noch net heard.” De Friese tekst was voor hem anders. “It pykefel stie my noch heger.” Voor Klaas voelde het minder vanzelfsprekend. “Normaal bin ik net sa fan de Frysktalige muzyk.” Maar reacties uit de omgeving maakten het duidelijk. “It is pake, hi. Gjin opa. Dus ja, it moast wol ek yn it Frysk.” Bijkomend voordeel: nu mag het nummer wél meedoen in de Fryske Top 100. De Nederlandstalige versie kreeg “in ûngelooflik oantal stimmen”, maar stond niet in de lijst.
De tiid mei
De muziekwereld waarin Klaas zich beweegt, is anders dan die van zijn pake. Social media versnelt alles. Je wordt sneller bekend, maar de concurrentie ook. “Hy hat de tiid wol mei,” zegt Trienes. “Mar der is ek mear druk.” En er zijn risico’s. “Der binne in soad moaipraters,” waarschuwt Tjeerd. “Dy giet der mei de sinten fantroch en do moast it wurk dwaan.” Trienes en Tjeerd hebben dat vaak genoeg zien gebeuren. Het verschil met vroeger is dat je nu niet meer afhankelijk bent van een label of manager. “Do bist sels frij om te beslissen wat ast dwaan wolst.”
Ondertussen groeit de aandacht. Niet alleen in de regio. Zelfs op Texel wordt Tjeerd aangesproken. “Binne jo de omke fan Klaas?” Andere artiesten beginnen hem ook te noemen, en Tjeerd verwacht dat het niet lang duurt voordat Klaas doorbreekt. “Se prate allegear oer him,” zegt hij. “It giet gebeuren, mar we witte noch net wannear.”
Klaas zelf blijft er rustig onder. Hij zit in zijn examenjaar op het Lauwers College in Kollum en denkt na over wat hierna komt. “Ik ha noch gjin flau idee wat ik dwaan wol.” Maar zingen blijft. Hij volgt inmiddels zangles, samen met zijn vader. “Sille we ris sjen oft wy de hûndert prosint derút krije.”
Aan tafel wordt weer gelachen. Over vroeger, over zangles waar weinig van terechtkwam, over optredens waar alles anders liep dan gepland. Over vrouwen die tegenwoordig vooral naar Klaas kijken. “Se rinne ús striel foarby,” grapt Tjeerd. Maar onder die humor zit iets anders. Trots.
